|
MENSENRECHTEN:
Zorreguieta vs.Mensenrechten
Samenvatting Rapport-Baud
Prof. dr. Michiel Baud, Militair geweld,
burgerlijke verantwoordelijkheid. Argentijnse en Nederlandse perspectieven
op het militaire bewind in Argentini� (1976-1983) (Den Haag: SDU,
2001)
Inleiding
Het rapport Militair geweld, burgerlijke verantwoordelijkheid werd in
opdracht van het Ministerie van Algemene Zaken geschreven door Michiel Baud,
hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Centrum
voor Studie en Documentatie van Latijns Amerika (CEDLA)
te Amsterdam. Het onderzoek, dat in volledige onafhankelijkheid werd
verricht, vond plaats in de maanden september-december 2000; de tekst werd
afgesloten in januari 2001. Het doel van de opdracht was informatie te
verschaffen over de volgende onderwerpen:
1. het leven in de Argentijnse samenleving in de periode 1976-1983
2. de organisatie en doelstellingen van de Argentijnse militaire regering in
die periode
3. de vervulling van politieke functies door Jorge Zorreguieta in de periode
1976-1981.
Daarnaast wordt in dit rapport ingegaan op de Nederlandse houding ten
aanzien van het Argentijnse regime in die periode.
Aard van het rapport
Het rapport beoogt inzicht te geven in de aard en de historische context van
het militaire bestuur in Argentini� in de periode 1976-1983 en de openbare
functies die Jorge Zorreguieta in deze periode vervulde. De bevindingen zijn
voornamelijk gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en schriftelijke
bronnen. Aangezien het onderzoek op verzoek van de opdrachtgever in het
geheim diende plaats te vinden, was het niet mogelijk interviews met
betrokkenen uit die periode te houden. De opsteller van het rapport heeft
aan zijn onderzoek geen politieke of morele conclusies verbonden. Er is
geprobeerd zo volledig en precies mogelijke informatie aan te dragen, die
anderen in staat moeten kunnen stellen een politiek of moreel oordeel over
de rol en de positie van Zorreguieta te formuleren.
De inhoud
Het rapport is opgebouwd uit drie delen: het eerste deel beschrijft de
achtergronden en doelstellingen van het militaire regime en zijn burgerlijke
ambtsdragers, waaronder Zorreguieta; in het tweede deel wordt ingegaan op de
schending van de mensenrechten; en het derde deel behandelt de Nederlandse
reacties op de gebeurtenissen in Argentini�.
I. Na een schets van de voorgeschiedenis van de staatsgreep van 24
maart 1976 wordt dieper ingegaan op het karakter van het militaire bewind,
dat een nietsontziende repressie van de linkse oppositie paarde aan een
moreel-christelijk opvoedingsproces en een neoliberale politiek gericht op
de hervorming van de Argentijnse economie. In laatstgenoemd onderdeel van
het militaire project speelde de Minister van Economische Zaken, Jos�
Alfredo Mart�nez de Hoz, de directe baas van Jorge Zorreguieta, een
cruciale rol. Binnen de twee regeringen van generaal Videla heeft Jorge
Zorreguieta twee functies vervuld: van maart 1976 tot maart 1979 was hij
onderstaatssecretaris van landbouw, en van maart 1979 tot maart 1981 was hij
staatssecretaris van Landbouw en Veeteelt. Zijn functie als staatssecretaris
moet als politiek van groot gewicht worden beschouwd, want het betrof hier
een leidende functie in de belangrijkste economische sector van het land.
Vervolgens wordt uitvoerig stil gestaan bij de nauwe banden tussen een
aantal burgerlijke groeperingen en de militairen. De aandacht gaat hierbij
vooral uit naar de agrarische sector die actief op een staatsgreep
aanstuurde en deze tot het einde van harte steunde. In hoofdstuk vier staan
de rol en de positie van Jorge Zorreguieta als (onder)staatssecretaris van
Landbouw centraal. Dit hoofdstuk beschrijft de maatregelen en ideologie van
deze bewindsman die in door bestuursfuncties in verschillende agrarische
belangenorganisaties omhoog was gekomen. Er wordt gekeken naar zijn
verhouding met zijn minister van Economische Zaken en de militaire
machthebbers, zijn beleid en de reacties vanuit de agrarische sector,
alsmede zijn rol ten tijde van het Amerikaanse graanembargo van de Sovjet
Unie in 1980.
II. In het tweede deel van het rapport richt de aandacht zich op de
situatie van de mensenrechten in Argentini� in de periode van het militaire
bewind. In hoofdstuk 5 worden de schendingen van de mensenrechten
beschreven, met name op basis van de informatie uit het in 1984 in Argentini�
gepubliceerde rapport Nunca m�s. Op basis van dit rapport wordt
geconcludeerd dat de mensenrechten onder de militaire regering op
systematische wijze geschonden werden. Vervolgens wordt het binnenlandse en
buitenlandse verzet tegen het militaire bewind behandeld. De 'dwaze moeders'
werden wereldberoemd door hun stille verzet op de Plaza de Mayo, maar ook
andere organisaties in Argentini� vroegen aandacht voor de gruwelen van de
militaire repressie. In het buitenland waren het Amnesty International en
andere internationale mensenrechten-organisaties die de kritiek op de
militairen gestalte gaven. Zij organiseerden commissies die in Argentini�
onderzoek deden en klaagden de militaire junta in internationale fora aan.
Deze beschrijving is mede van belang om de vraag te kunnen beantwoorden wat
iemand als Zorreguieta kon weten van de terreur. In hoofdstuk 7 wordt
aandacht geschonken aan de periode na 1983, toen de militairen de macht
overdroegen. In 1985 begon het grote proces tegen de verantwoordelijke
militairen. In de jaren daarna werd hen amnestie verleende en verdween de
periode van het militaire bewind grotendeels uit de publieke belangstelling.
Op dit moment is er in Argentini� een hernieuwde belangstelling voor de
periode waar te nemen en wordt er opnieuw gesproken over het bestraffen van
de verantwoordelijken van de militaire dictatuur.
III. In het derde deel staat de Nederlandse houding tegenover het
militaire bewind in Argentini� centraal. Het aan de macht komen van de
militairen ging in eerste instantie tamelijk onopgemerkt voorbij. Pas in de
aanloop van het wereldkampioenschap voetbal, dat in 1978 in Argentini� zou
plaatsvinden, groeide de aandacht voor de politieke situatie in dat land,
met name door de protestactie van het duo 'Neerlands Hoop' en een aantal
andere organisaties. De Nederlandse samenleving bleek sterk verdeeld. De
meerderheid van de bevolking voelde niets voor een boycotactie. Ook
bestonden er intensieve economische contacten tussen Nederland en Argentini�
en deed de Nederlandse ambassadeur in Buenos Aires er alles aan om het
regime te vergoelijken. Terwijl een kleine groep organisaties, waaronder de
stichting SAAM, die zich solidair verklaarde met de Dwaze Moeders, de
Argentijnse situatie kritisch volgde, wisten de politieke partijen zich niet
goed raad met hun houding tegenover dit probleem. Dit werd maar al te
duidelijk tijdens de discussie over de zgn. Argentini�-nota die de regering
Van Agt begin 1981 naar buiten bracht op verzoek van de Tweede Kamer en
waarin getracht werd een beleid aangaande de mensenrechtenpolitiek van de
Nederlandse regering te formuleren.
Conclusies
In de conclusies worden eerst de categorie�n besproken waarop een
historisch oordeel over het militaire bestuur en zijn individuele leden kan
worden gebaseerd. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor de specifieke morele
schema's die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan.
Vervolgens wordt ingegaan op de sociale en politieke positie van Zorreguieta
en op de vraag wat hij kan hebben geweten van de schendingen van de
mensenrechten in Argentini� in de periode dat hij deel uitmaakte van de
militaire regering.
Het rapport eindigt met zeven conclusies die gebaseerd zijn op het in het
rapport gepresenteerde materiaal. In het kort komen die conclusies op het
volgende neer:
Jorge Zorreguieta heeft binnen de militaire regering twee belangrijke
functies vervuld. Van maart 1976 tot maart 1979 was hij
onderstaatssecretaris van landbouw. Van maart 1979 tot maart 1981 was hij
staatssecretaris van Landbouw en Veeteelt. Zijn functie als staatssecretaris
moet als politiek van groot gewicht worden beschouwd, want het betrof hier
een hoge politieke functie in de belangrijkste economische sector van het
land.
In zijn twee functies heeft Zorreguieta zich opgesteld als een neoliberale
technocraat, die niets wilde weten van de politieke implicaties van zijn
politieke functies. Dat neemt niet weg dat hij zich vijf jaar lang in een
hoge politieke functie actief en met overtuiging heeft ingezet voor een
regime dat in binnen- en buitenland veroordeeld is voor het uitschakelen van
democratische grondrechten en het op grote schaal schenden van de
mensenrechten. Het is praktisch uit te sluiten dat Zorreguieta in de
periode van zijn regeringsdeelname persoonlijk betrokken is geweest bij de
repressie of de schending van de mensenrechten. Anderzijds is het ondenkbaar
dat hij niets van de praktijk van de repressie en de mensenrechtensituatie
heeft geweten. In de categorie�n die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland
zijn gehanteerd om uitspraken te kunnen doen over morele schuld, zou het
vervullen van een hoge positie in het militaire regime van Argentini� van
1976 tot 1983 als 'fout' worden bestempeld. Het is daarbij belangrijk op te
merken dat het Nederlandse goed-fout schema een uitvloeisel is van
specifieke historische omstandigheden waarin gevallen van actieve steun aan
en collaboratie met de vijand leidden tot morele en juridische
veroordelingen. Afgezien van het feit dat de uitvoering van de zuiveringen
en strafrechtelijke vervolgingen ook in Nederland niet altijd even succesvol
en consequent erliepen, kan worden vastgesteld dat het Nederlandse
schema in een internationale context niet algemeen geaccepteerd is. Het zou
daarom aanbeveling verdienen zo'n moreel oordeel te spiegelen aan
internationaal geaccepteerde criteria zoals die bijvoorbeeld in het handvest
van de Verenigde Naties of internationale verdragen zijn vastgelegd, ook al
bestaat er internationaal evenmin algemene overeenstemming over hun
praktische toepassing.
M. Baud
|