-
1 zelfvertrouwen
♦voorbeelden:vol zelfvertrouwen • (self-)confident(ly) -
2 zelfvertrouwen
♦voorbeelden:zelfvertrouwen hebben • avoir confiance en soi -
3 zelfvertrouwen
сущ.общ. самонадеянность, самоуверенность -
4 zelfvertrouwen
hetSelbstvertrauen n -
5 zelfvertrouwen
n. self confidence, assurance, self-reliance, self-assurance -
6 zelfvertrouwen hebben
zelfvertrouwen hebben -
7 zelfvertrouwen uitstralen
zelfvertrouwen uitstralen -
8 zelfvertrouwen hebben
zelfvertrouwen hebbenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > zelfvertrouwen hebben
-
9 zelfvertrouwen uitstralen
zelfvertrouwen uitstralenradiate/exude/ooze self-confidenceVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > zelfvertrouwen uitstralen
-
10 dat is goed voor het zelfvertrouwen
dat is goed voor het zelfvertrouwenDeens-Russisch woordenboek > dat is goed voor het zelfvertrouwen
-
11 meer zelfvertrouwen krijgen
meer zelfvertrouwen krijgen -
12 met onverwoestbaar zelfvertrouwen
met onverwoestbaar zelfvertrouwenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > met onverwoestbaar zelfvertrouwen
-
13 overdreven zelfvertrouwen
overdreven zelfvertrouwenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > overdreven zelfvertrouwen
-
14 vol zelfvertrouwen
vol zelfvertrouwenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > vol zelfvertrouwen
-
15 zijn zelfvertrouwen heeft een flinke deuk gekregen
zijn zelfvertrouwen heeft een flinke deuk gekregenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > zijn zelfvertrouwen heeft een flinke deuk gekregen
-
16 self confidence
zelfvertrouwen -
17 assurance
assurance [aasuurãs]〈v.〉2 toezegging ⇒ verzekering, belofte4 zelfverzekerdheid ⇒ zelfvertrouwen, vastberadenheid♦voorbeelden:assurance obsèques • uitvaartverzekeringassurance de la responsabilité civile • wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeringassurance tous risques • all-riskverzekeringassurance vieillesse • ouderdomsverzekeringassurance au tiers • verzekering tegen derdenassurance contre les accidents, contre l'incendie • ongevallen-, brandverzekeringassurance sur la vie • levensverzekering2 〈 formeel〉 veuillez agréer l'assurance de ma considération distinguée • met gevoelens van de meeste hoogachting 〈 beleefdheidsformule aan het slot van een brief〉perdre son assurance • van zijn stuk rakenprendre de l'assurance • meer zelfvertrouwen krijgen1. f1) verzekering2) belofte3) zekerheid5) waarborg, garantie2. assurancesf pl -
18 insecure
adj. zonder zelfvertrouwen, heeft weinig zelfvertrouwen; onzeker; gevaarlijk; wankel; onstabiel[ insikjoeə]1 onveilig ⇒ instabiel, wankel -
19 self-confident
-
20 confiance
confiance [kõfjãs]〈v.〉1 vertrouwen ⇒ geloof, gerustheid♦voorbeelden:faire confiance à qn. • vertrouwen in iemand hebbenhomme, personne de confiance • vertrouwensman, vertrouwd iemandmaison de confiance • degelijke firmaposte de confiance • vertrouwenspositieacheter qc. de confiance • iets op goed vertrouwen kopenen (toute) confiance • vol vertrouwenf
Перевод: со всех языков на все языки
со всех языков на все языки- Со всех языков на:
- Все языки
- Со всех языков на:
- Все языки
- Английский
- Немецкий
- Нидерландский
- Русский
- Французский
zelfvertrouwen
Страницы