Dieren (biologie)
| Dieren Fossiel voorkomen: Ediacarium[1] – heden | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Diersoorten uit verschillende fyla | ||||||
| Taxonomische indeling | ||||||
| ||||||
| Rijk | ||||||
| Animalia Linnaeus, 1758 | ||||||
| ||||||
De dieren (Animalia) vormen een rijk van meercellige levende wezens die tot de eukaryoten behoren. Dieren zijn een zeer diverse groep levensvormen, maar alle soorten delen bepaalde grondkenmerken. Ze voeden zich met organisch materiaal, ademen zuurstof, en planten zich in de regel geslachtelijk voort. De meeste dieren kunnen zich actief voortbewegen door middel van spieren en een zenuwstelsel. De wetenschap die het dierenrijk bestudeert is de zoölogie.
Hoewel het gangbare beeld van een dier vaak dat van een gewervelde is – zoals een zoogdier, vis of vogel – bestaat de overgrote meerderheid van het dierenrijk uit ongewervelden. Van de ruim 1,5 miljoen beschreven diersoorten behoren er meer dan een miljoen tot de insecten.
Bijna alle levende diersoorten behoren tot een grote evolutionaire groep genaamd Bilateria; wezens met een tweezijdig symmetrisch bouwplan. De Bilateria omvatten vrijwel alle bekende diergroepen, waaronder de geleedpotigen, weekdieren, stekelhuidigen en gewervelden. De oudst bekende dierfossielen zijn ongeveer 540 miljoen jaar oud. Dit waren relatief eenvoudige zeewezens, die een snelle diversificatie ondergingen gedurende de Cambrische explosie.
De indeling van het dierenrijk is door de eeuwen heen sterk veranderd. Carl Linnaeus legde in 1758 een belangrijke basis voor de biologische classificatie. In de 19e eeuw verfijnden natuuronderzoekers zoals Jean-Baptiste Lamarck en Georges Cuvier deze indeling op basis van vergelijkende anatomie. Diersoorten worden geclassificeerd op basis van onderlinge verwantschap, tegenwoordig sterk geholpen door genetische of moleculaire analyse.
Naamgeving
Het Nederlandse woord 'dier' is van Protogermaanse oorsprong; cognaten zijn onder andere het Engelse deer en Gotisch dius. De verdere oorsprong is onzeker; mogelijk is het verwant aan het Oudkerkslavische woord duchŭ, wat 'adem' of 'geest' betekent.[2] De door Linnaeus geïntroduceerde benaming Animalia, afgeleid van het Latijnse animalis, heeft een vergelijkbare betekenis. In de moderne biologie wordt het dierenrijk veelal aangeduid met de wetenschappelijke naam Metazoa.[3] In de alledaagse omgangstaal bestaat er doorgaans een onderscheid tussen mens en dier.[4][5] In dit artikel wordt de wetenschappelijke betekenis gehanteerd.
Kenmerken
Dieren vertonen een enorme diversiteit in lichaamsbouw, leefwijze en gedrag. Toch onderscheiden ze zich op verschillende manieren van andere levende wezens als planten en schimmels. Dieren behoren tot de eukaryoten, wat betekent dat ze bestaan uit relatief complexe cellen waarin het genetisch materiaal in een celkern ligt opgeslagen. Alle dieren zijn meercellig, en het lichaam ontwikkelt zich uit een embryo dat ontstaat na de versmelting van een eicel en zaadcel.[6]
Dieren leven heterotroof: ze kunnen hun eigen bouwstoffen niet volledig zelfstandig aanmaken en zijn voor hun voeding afhankelijk van andere organismen. In tegenstelling tot schimmels – ook eukaryoten die van andere organismen leven – wordt het voedsel bij de meeste dieren inwendig verteerd in een spijsverterings- of darmkanaal. Op een enkele uitzondering na zijn dieren strikt aerobe levensvormen, die zuurstof uit het water of de lucht nodig hebben om te overleven.
Veel dieren hebben daarnaast het vermogen geëvolueerd om zich actief voort te bewegen. Hiervoor beschikken zij over gespecialiseerde spierweefsels en, bij vrijwel alle diergroepen, een zenuwstelsel en zintuigen waarmee prikkels uit de omgeving kunnen worden waargenomen en verwerkt.[6] Deze combinatie van waarneming en beweging stelt dieren in staat voedsel te zoeken, vijanden te ontwijken en geschikte partners te vinden. Sommige dieren, zoals koralen en sponzen, leven als volwassen dier vastgehecht aan de ondergrond; de larven kunnen zich echter vrij door het water verplaatsen.
- De meeste dieren bewegen zich actief voort, zoals deze strandbewonende spookkrab (Ocypode)
- Juffers (Zygoptera) planten zich net als andere insecten geslachtelijk voort
Cellen en weefsels

De cellen van dieren lijken op die van andere eukaryoten, maar hebben een unieke wijze van organisatie. Dierlijke cellen hebben geen celwand, een structuur die wel voorkomt bij de cellen van planten, wieren en schimmels. Dierlijke cellen worden in plaats daarvan omgeven door een extracellulaire matrix bestaande collageen en glycoproteïnen.[7] Collageen is een typisch voorbeeld van een eiwit dat alleen in het dierenrijk te vinden is. De extracellulaire matrix vormt een zacht, flexibel raamwerk waarop cellen kunnen groeien, bewegen en zich kunnen specialiseren. Dierlijke cellen functioneren in onderlinge samenhang. Ze staan met elkaar in verbinding door zogenoemde tight junctions en gap junctions.[8]
Dierlijke cellen organiseren zich in weefsels: groepen van samenhangende cellen die onderling dezelfde functie vervullen. Vrijwel alle dieren beschikken over spierweefsel, waarmee beweging mogelijk is, en zenuwweefsel, dat signalen geleidt en lichaamsfuncties coördineert. Deze celtypen ontstonden al vroeg in de evolutie van het dierenrijk en zijn belangrijke innovaties die dieren onderscheiden van andere meercellige organismen.[9]
Voortplanting en ontwikkeling
Bijna alle dieren planten zich geslachtelijk voort. Dit betekent dat een mannelijk en een vrouwelijk individu nodig zijn voor het voortbrengen van nakomelingen. Bij de meeste diersoorten bevrucht een kleine, geflagelleerde zaadcel een grotere, niet-beweeglijke eicel.[10] Beide geslachtscellen dragen een gehalveerd aantal chromosomen, en worden haploïd genoemd. De bevruchte eicel (zygote) bevat genetisch materiaal van beide ouders en is diploïd. Bij alle dieren is de diploïde fase veruit het belangrijkste onderdeel van de levenscyclus.

Na de bevruchting ondergaat de zygote een aantal klievingsdelingen: een reeks mitotische celdelingen waarin het vroege embryo nog niet in grootte toeneemt. Na verloop van tijd wordt een karakteristiek embryonaal stadium bereikt, de blastula, dat bij veel diersoorten de vorm heeft van een hol balletje. De blastula stulpt vervolgens in (gastrulatie) en ontwikkelt daarbij een aantal primordiale embryonale lagen, de zogenaamde kiembladen. Uit de kiembladen zullen zich de verschillende weefsels en organen ontwikkelen.[9]
Sommige primitieve dieren, zoals neteldieren, vormen twee kiembladen: het ectoderm en endoderm. Deze dieren worden diploblastisch genoemd. Verreweg de meeste dieren hebben drie kiembladen – ectoderm, endoderm en mesoderm – en zijn triploblastisch. Omdat de embryonale ontwikkeling in grote lijnen bij alle dieren hetzelfde is, werden kiemlagen al door vroege zoölogen gebruikt als een eenvoudige manier om het dierenrijk in een aantal duidelijke groepen onder te verdelen.[10]
Hoewel sommige dieren, waaronder de mens, zich geleidelijk en rechtstreeks tot een volwassen individu (adult) ontwikkelen, hebben veel soorten ergens in hun levenscyclus een larvaal stadium. Een larve is een jong, meestal recentelijk uit het ei gekomen dier dat morfologisch gezien afwijkt van het latere, volwassen stadium. Een larve voedt zich met uiteenlopende voedingsbronnen, soms in een omgeving waar het volwassen dier niet kan overleven (bijvoorbeeld in het water). Na verloop van tijd ondergaat de larve een metamorfose, een overgang naar een volwassen stadium waarin het dier geslachtsrijp is.[9]
Hoxgenen

Hoewel dieren zeer uiteenlopende lichaamsvormen ontwikkelen, wordt de ontwikkeling bij alle soorten volgens een gedeeld aantal genetische elementen aangestuurd. Alle bekende dieren bezitten regulatiemechanismen om ontwikkelingsgenen op het juiste moment aan te zetten.[9] Veel van deze regulerende genen bevatten een sequentie die men de homeobox noemt. Alle vertegenwoordigers van het dierenrijk hebben zulke homeoboxgenen, kortweg Hox-genen.
Men vermoedt dat hoxgenen al zeer vroeg in de evolutie zijn ontstaan. Hoxgenen spelen een centrale rol in de dierlijke ontwikkeling. Ze reguleren de expressie van andere genen die bijvoorbeeld de lichaamsas bepalen, de segmentatie vastleggen of andere aspecten van het lichaamsplan determineren.[11]
Ecologie en gedrag

Dieren vertonen complexe interacties met elkaar en hun omgeving. Om in leven te blijven, moeten dieren zich voeden met andere dieren, met plantaardig materiaal, met biologisch afval of organische deeltjes. Dit wordt een heterotrofe levenswijze genoemd. Op basis van de voedingswijze kunnen dieren verdeeld worden in ecologische groepen, zoals carnivoren (vleeseters), herbivoren (planteneters), omnivoren (alleseters) en detrivoren (afvaleters).[12] Sommige dieren leven uitsluitend van deeltjes die ze uit het water filteren, de zogenaamde filtervoeders. Het dieet van een dier kan veelzijdig zijn en variëren met voedselbeschikbaarheid.[13]
De voedselrelaties tussen dieren zijn ingewikkeld, en worden in de ecologie vaak beschreven als een keten. Een voedselketen bestaat uit een aantal trofische niveaus (schakels). De meeste voedselketens beginnen met een plant of een eencellige; gevolgd door een herbivoor dier als primaire consument; en daarna een korte of lange reeks predatoren.[12] Omdat predatoren vaak van verschillende prooien leven, lopen voedselketens in elkaar over. Het resultaat is een complex voedselweb.
Dieren komen voor in vrijwel alle leefomgevingen op aarde, zoals in de zee, zoet water, moerassen, bossen, graslanden, toendra's, woestijnen, steppen en in de lucht. Het lichaam is vaak in bepaalde mate aangepast aan de milieufactoren waaraan het dier blootstaat. Dieren zijn niet bijzonder hittebestendig; zeer weinig van hen kunnen overleven bij aanhoudende temperaturen van boven 50 °C.[14] Slechts enkele diersoorten (vooral nematoden) overleven de extreme kou van continentaal Antarctica.
Ethologie
Gedrag komt tot stand in de interactie tussen dier en zijn omgeving, en is gedeeltelijk erfelijk bepaald. Onder invloed van variaties in gedrag tussen individuen, ontstaat door natuurlijke selectie een doelmatig gedrag dat een maximale overlevingskans geeft. Bij alle dieren komen bepaalde gedragspatronen voor – zoals het zoeken naar voedsel, voortplanting, verdediging – maar de exacte uitvoering verschilt tussen diersoorten. Sommige gedragspatronen zijn soortspecifiek en aangeboren (instinct). Andere zijn variabeler en kunnen in de loop van de tijd worden aangeleerd. Het gedrag van een dier kan onder invloed van cognitieve ontwikkeling zeer geavanceerd worden: sommige inktvissen, vogels en zoogdieren vertonen bijvoorbeeld vormen van inzicht en probleemoplossing.[15]
Oorsprong en evolutie
De eerste dieren
De evolutie van dieren gaat terug naar het Neoproterozoïcum, ruwweg 600–800 miljoen jaar geleden.[16] Omdat zachte organismen slechts zelden fossiliseren, is het oudste bewijs voor dieren gebaseerd op DNA-onderzoek en op chemische sporen (biomarkers) die in oude gesteenten bewaard zijn gebleven. Een voorbeeld van een biomarker is cholestaan, een stof die is aangetroffen in gesteenten van ongeveer 650 miljoen jaar oud. Deze stof is mogelijk een overblijfsel van vroege, sponsachtige dieren.[17][18]
De eerste algemeen aanvaarde lichaamsfossielen van dieren stammen uit het Ediacarium (575–540 miljoen jaar geleden). Tot deze Ediacarische biota behoren organismen zoals Charnia, Spriggina en Dickinsonia. Lange tijd was onduidelijk of deze fossielen werkelijk dieren vertegenwoordigden,[19] maar de ontdekking van dierlijke lipidemoleculen (cholesterol) in fossielen van Dickinsonia ondersteunt deze interpretatie.[20] Vermoedelijk leefden de vroegste dieren in een wereld met relatief lage zuurstofniveaus en waren zij hierdoor eenvoudiger gebouwd dan de meeste moderne dieren.
Rond 540 miljoen jaar geleden vond de zogenoemde Cambrische explosie plaats, een periode waarin veel van de huidige diergroepen voor het eerst duidelijk in het fossielenbestand verschijnen.[21] Fossielen uit afzettingen zoals de Burgess Shale tonen een grote verscheidenheid aan onder meer geleedpotigen, weekdieren, armpotigen, stekelhuidigen en andere diergroepen. Hoewel deze gebeurtenis lange tijd werd gezien als een plotseling ontstaan van complexe dieren,[22] wijzen recente ontdekkingen erop dat de oorsprong van veel groepen al eerder lag. Mogelijk bestonden eenvoudige dieren zelfs honderden miljoenen jaren vóór het Cambrium, maar hiervoor is het fossiele bewijs nog beperkt.
- Vroege voorouders van de dieren
- Anomalocaris canadensis, een van de vele diersoorten die verschenen in de Cambrische explosie.
Fylogenie
Het dierenrijk is monofyletisch, wat betekent dat alle dieren afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. Hoe deze eerste dieren eruitzagen en zich in de evolutie ontwikkelden, is nog altijd onderwerp van wetenschappelijk onderzoek.[24] Het vakgebied dat zich bezighoudt met het bepalen van verwantschappen en het opstellen van evolutionaire stambomen wordt fylogenie genoemd.
De sponsdieren (Porifera) worden al lange tijd beschouwd als de vroegste afsplitsing binnen het dierenrijk.[25] Er zijn echter ook aanwijzingen dat de ribkwallen (Ctenophora) op deze positie staan.[26] Uitgaande van moleculaire analyses zijn beide hypotheses verdedigbaar. Veel biologen geven desondanks de voorkeur aan de sponshypothese, omdat sponscellen (met name de choanocyten) sterk lijken op de eencellige choanoflagellaten, de naaste eencellige verwanten van dieren.[27] Bovendien hebben sponzen geen echte weefsels of organen: de lichaamsbouw is veel eenvoudiger dan bij andere dieren.
Onderstaand is een globale fylogenie van het dierenrijk weergegeven.[28]
Onderverdeling van diversiteit
Het dierenrijk omvat meer dan 1,5 miljoen wetenschappelijk beschreven soorten, verdeeld over ongeveer 35 hoofdgroepen (fyla of stammen).[29] In onderstaande tabel is de soortenrijkdom van de grootste fyla weergegeven. Verreweg de soortenrijkste groep zijn de geleedpotigen (Arthropoda), waartoe onder andere insecten, spinachtigen, kreeftachtigen en duizendpoten behoren. Ook weekdieren (Mollusca), chordadieren (Chordata), rondwormen (Nematoda), platwormen (Platyhelminthes), ringwormen (Annelida), neteldieren (Cnidaria) en sponzen (Porifera) behoren tot de grootste diergroepen.
Per fylum wordt de soortenrijkdom door experts bijgehouden in taxonomische databases. Mariene fyla worden bijvoorbeeld bijgehouden in de World Register of Marine Species (WoRMS).[30] De Rode Lijst van de IUCN houdt bij welke diersoorten met uitsterven worden bedreigd (op basis van criteria zoals statistische trends in populatie-afname en geografische verspreiding).
Gewervelde dieren, zoals vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vissen, vertegenwoordigen slechts een klein deel van de totale soortenrijkdom. Gewervelden behoren tot de Chordata (chordadieren), één enkele dierstam naast tientallen andere. Veruit de meeste diersoorten zijn ongewerveld.
| Fylum | Voorbeeld | Nederlandse naam | Beschreven soorten[29] |
|---|---|---|---|
| Arthropoda | Geleedpotigen | >1.250.000 | |
| Mollusca | Weekdieren | ~85.000 | |
| Chordata | Chordadieren | >70.000 | |
| Platyhelminthes | Platwormen | ~30.000 | |
| Nematoda | Rondwormen | ~28.500[31] | |
| Annelida | Ringwormen | ~21.000[32] | |
| Cnidaria | Neteldieren | ~16.000 | |
| Porifera | Sponzen | ~10.800 | |
| Echinodermata | Stekelhuidigen | ~7.500 | |
| Bryozoa | Mosdiertjes | ~6.000 | |
| Rotifera | Raderdieren | ~2.000 | |
| Nemertea | Snoerwormen | ~1.350[33] | |
| Tardigrada | Beerdiertjes | ~1.300 |
Dieren in de menselijke samenleving
Gebruik
Mensen zetten dieren al duizenden jaren in voor hun eigen behoeften. Dit gebruik varieert van praktisch nut en consumptie, tot gezelschap en wetenschappelijk onderzoek. Gedomesticeerde dieren zoals runderen, varkens, schapen en kippen worden wereldwijd gehouden voor de productie van vlees, melk, eieren, wol en leer.[34] Daarnaast worden in het wild levende dieren bejaagd door de mens. Mensen en hun veestapel vormen samen meer dan 90% van de totale biomassa van alle gewervelde landdieren.[35] Ook ongewervelde dieren worden op grote schaal benut: schaal- en weekdieren worden verwerkt in gerechten, honingbijen leveren honing, en zijderupsen produceren zijde.
Sinds de ontwikkeling van de landbouw worden dieren ingezet voor arbeid en transport. Runderen, paarden en ezels worden al vele eeuwen gebruikt in de landbouw, als trekdier of voor begrazing, en voor het vervoeren van mensen of goederen. Honden werden gefokt voor bewaking, de jacht en het hoeden van vee. Minder alledaagse historische toepassingen zijn onder meer valkerij, eveneens oorspronkelijk ontstaan als jachtmethode. Tegenwoordig worden verschillende diersoorten – vooral honden en katten – op grote schaal gehouden als huisdier.[36]
Binnen de wetenschap en geneeskunde spelen dieren eveneens een grote rol. Soorten zoals de fruitvlieg (Drosophila melanogaster), de zebravis (Danio rerio) en de huismuis (Mus musculus) dienen als modelorganismen voor genetisch en medisch onderzoek.[37]
In de symboliek
Naast praktische toepassingen vervullen dieren een fundamentele rol in de menselijke cultuur, taal en symboliek.[38][39] In mythologieën, religies en folklore wereldwijd worden specifieke dieren vaak geassocieerd met vaste kwaliteiten; zo staat de leeuw symbool voor moed of macht, en de duif voor vrede. Daarnaast zijn dieren diep geworteld in de hedendaagse beeldtaal, bijvoorbeeld als nationale symbolen, sportmascottes, dragers van fabels en metaforen in de taal.
Zie ook
Literatuur
- (en) Hickman, CP, Keen SL, Eisenhour DJ, Larson A. (2019). Integrated Principles of Zoology, 18th. McGraw-Hill Education. ISBN 978-1-260-20519-0.
- (en) Urry, LA, Cain ML, Wasserman SA. (2020). Campbell Biology, 12th. Pearson, 'An Overview of Animal Diversity'. ISBN 978-0-13-518874-3.
- (en) Brusca RC, Giribet G, Moore W. (2022). Invertebrates, 4th. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-755441-8.
- Noordijk J, Kleukers R, van Nieukerken E, van Loon AJ. (2010). De Nederlandse biodiversiteit. Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis. ISBN 978-90-5011-351-9.
Bronnen
- ↑ (en) Budd GE. (2008). The earliest fossil record of the animals and its significance. Philosophical Transactions of the Royal Society B: Biological Sciences 363 (1496): 1425-1434. DOI: 10.1098/rstb.2007.2232.
- ↑ Dier (beest). etymologiebank.nl. Gearchiveerd op 1 september 2025. Geraadpleegd op 5 augustus 2022.
- ↑ (en) Paps, J. (2018). What Makes an Animal?. Integrative and Comparative Biology 58 (4): 654–665. DOI: 10.1093/icb/icy036.
- ↑ (en) Goatly, A. (2006). Humans, Animals, and Metaphors. Society & Animals 14 (1): 15-37. DOI: 10.1163/156853006776137131.
- ↑ Janssen, B. (2011). De mens bestaat niet. Cranium 28 (1): 31-38. Gearchiveerd op 6 juni 2023.
- 1 2 (en) Hine, R. (2019), 'animal', in: A Dictionary of Biology, Oxford University Press. ISBN 978-0-19-882148-9.
- ↑ (en) Naba A. (2024). Mechanisms of assembly and remodelling of the extracellular matrix. Nature Reviews Molecular Cell Biology 25 (11): 865-885. DOI: 10.1038/s41580-024-00767-3.
- ↑ (en) Alberts, B, Heald R, Johnson A. (2022). Molecular Biology of The Cell, 7th. W.W. Norton & Company, pp. 1116–1122. ISBN 978-0-393-88482-1.
- 1 2 3 4 Urry 2020, pp. 674-675.
- 1 2 (en) Wolpert L, Tickle C, Arias AM. (2015). Principles of Development, 5th. Oxford University Press, 1–12. ISBN 978-0-19-870988-6.
- ↑ (en) Pearson JC, Lemons D, McGinnis W. (2005). Modulating Hox gene functions during animal body patterning. Nature Reviews Genetics 6: 893–904. DOI: 10.1038/nrg1726.
- 1 2 (en) Levinton, JS. (2018). Marine Biology, 6th. Oxford University Press, 'Chapter 14: Predation'. ISBN 978-0-19-062527-6.
- ↑ (en) Rees, PA. (2011). An Introduction to Zoo Biology and Management. John Wiley & Sons, 'Chapter 8: Nutrition and Feeding'. ISBN 978-1-4443-9783-3.
- ↑ (en) Clarke, A. (2014). The thermal limits to life on Earth. International Journal of Astrobiology 13 (2): 141–154. DOI: 10.1017/S1473550413000438.
- ↑ (en) Vallortigara G, Chiandetti C, Rugani R, Sovrano VA, Regolin L. (2010). Animal cognition. Wiley Interdisciplinary Reviews: Cognitive Science 1 (6): 882-893. DOI: 10.1002/wcs.75.
- ↑ (en) Cunningham JA, Liu AG, Bengtson S, Donoghue PCJ. (2017). The origin of animals: Can molecular clocks and the fossil record be reconciled?. BioEssays 39 (1): 1-12. DOI: 10.1002/bies.201600120.
- ↑ (en) Love GD, Grosjean E, Stalvies C, Fike DA, Grotzinger JP, Bradley AS, Kelly AE, et al. (2009). Fossil steroids record the appearance of Demospongiae during the Cryogenian period. Nature 457 (7230): 718-721. DOI: 10.1038/nature07673.
- ↑ (en) Gold DA, Grabenstatter J, De Mendoza A, Riesgo A, Ruiz-Trillo I, Summons RE. (2016). Sterol and genomic analyses validate the sponge biomarker hypothesis. Proceedings of the National Academy of Sciences 113 (10): 2684-2689. DOI: 10.1073/pnas.1512614113.
- ↑ (en) Shen B, Dong L, Xiao S, Kowalewski M. (2008). The Avalon Explosion: Evolution of Ediacara Morphospace. Science 319 (5859): 81-84. DOI: 10.1126/science.1150279.
- 1 2 (en) Bobrovskiy I, Hope JM, Ivantsov A, Nettersheim BJ, Hallmann C, Brocks JJ. (2018). Ancient steroids establish the Ediacaran fossil Dickinsonia as one of the earliest animals. Science 361 (6408): 1246-1249. DOI: 10.1126/science.aat7228.
- ↑ Urry 2020, pp. 677-678.
- ↑ (en) Briggs DE. (2015). The Cambrian explosion. Current Biology 25 (19): R864-R868. DOI: 10.1016/j.cub.2015.04.047.
- ↑ (en) Dunn FS, Kenchington CG, Parry LA, Clark JW, Kendall RS, Wilby PR. (2022). A crown-group cnidarian from the Ediacaran of Charnwood Forest, UK. Nature Ecology & Evolution 6 (8): 1095-1104. DOI: 10.1038/s41559-022-01807-x.
- ↑ (en) Callaway E. (2026). What were the first animals? The fierce sponge–jelly battle that just won’t end. Nature 649 (8099): 1096-1098. DOI: 10.1038/d41586-026-00238-z.
- ↑ (en) Feuda R, Dohrmann M, Pett W, Philippe H, Rota-Stabelli O, Lartillot N, Wörheide G, et al. (2017). Improved Modeling of Compositional Heterogeneity Supports Sponges as Sister to All Other Animals. Current Biology 27 (24): 3864-3870.e4. DOI: 10.1016/j.cub.2017.11.008.
- ↑ (en) Schultz DT, Haddock SHD, Bredeson JV, Green RE, Simakov O, Rokhsar DS. (2023). Ancient gene linkages support ctenophores as sister to other animals. Nature 618 (7963): 110-117. DOI: 10.1038/s41586-023-05936-6.
- ↑ (en) King N. (2005). Choanoflagellates. Current Biology 15 (4): R113-R114. DOI: 10.1016/j.cub.2005.02.004.
- ↑ Urry 2020, p. 683.
- 1 2 (en) Zhang Z. (2013). Animal biodiversity: An update of classification and diversity in 2013. Zootaxa 3703 (1): 5. DOI: 10.11646/zootaxa.3703.1.3.
- ↑ (en) Appeltans W, Ahyong ST, Anderson G, Angel MV, Artois T, Bailly N, Bamber R, et al. (2012). The Magnitude of Global Marine Species Diversity. Current Biology 22 (23): 2189-2202. DOI: 10.1016/j.cub.2012.09.036.
- ↑ (en) Hodda M. (2022). Phylum Nematoda: a classification, catalogue and index of valid genera, with a census of valid species. Zootaxa 5114 (1): 1-289. DOI: 10.11646/zootaxa.5114.1.1.
- ↑ (en) Rouse GW, Pleijel F, Ekin T. (2022). Annelida. Oxford University Press, pp. 1–8. ISBN 978-0-19-259162-3.
- ↑ (en) Chernyshev AV. (2021). An updated classification of the phylum Nemertea. Invertebrate Zoology 18 (3): 188-196. DOI: 10.15298/invertzool.18.3.01.
- ↑ (en) Livestock Systems. Food and Agriculture Organization. Geraadpleegd op 1 september 2025.
- ↑ (en) Greenspoon L, Ramot N, Moran U, Roll U, Phillips R, Noor E, Milo R. (2025). The global biomass of mammals since 1850. Nature Communications 16 (1). DOI: 10.1038/s41467-025-63888-z.
- ↑ (en) Mestel R. (2017). Pets: Millennia together. Nature 543 (7647): S42-S43. DOI: 10.1038/543S42a.
- ↑ (en) Mukherjee P, Roy S, Ghosh D, Nandi SK. (2022). Role of animal models in biomedical research: a review. Laboratory Animal Research 38 (1). DOI: 10.1186/s42826-022-00128-1.
- ↑ (en) Alves RRN, Barboza RRD. (2018). The Role of Animals in Human Culture. Ethnozoology: 277-301. DOI: 10.1016/B978-0-12-809913-1.00015-6.
- ↑ (en) Russell N. (2011). Social Zooarchaeology: Humans and Animals in Prehistory. Cambridge University Press, 2–10. ISBN 978-1-139-50434-8.